Het Veenweidegebied

Het landschap van de veenweiden in West Nederland is mogelijk het meest oorspronkelijke cultuur landschap dat we nog kennen in Nederland. Ooit waren grote delen van West-nederland bedekt met veenmoerassen die enkele meters boven zeeniveau lagen. De ontginning heeft geleid tot drie typen landschappen die nauw met elkaar verbonden zijn: de veenweiden, de plassen en de droogmakerijen. Veen bestaat uit plantenresten die niet vergaan doordat de bodem met water verzadigd is. Als de waterstand wordt verlaagd dan zakt het veen in door rotting en ontstaat vastere grond voor het boerenbedrijf. Sloten worden uitgebaggerd om veen te drogen als brandstof. Zo werd het veen van 3 meter boven de zeespiegel gebracht naar 2 meter onder de zeespiegel en kunnen de eilanden alleen nog maar bestaan dankzij een grote dijk om het gebied en bemaling. Desondanks blijft het veen zakken omdat de veenlagen onder water oxideren. Langzaam zakt het veen daardoor in. Ook lopen de oevers onderwater leeg door de golfslag en de waterstroming. Bomengroei houdt het eiland bij elkaar, de wortels vertragen de inklinking. Toch op de West-kop van het eiland is te merken hoe snel het uitspoelen van de veenlaag onder water gaat. De bomen zijn daar nog maar 10 jaar weg en nu al voel je het eiland over wel 10 meter landinwaarts drijven op het water. Het veen in de sloten geeft wel enorm veel bagger problemen. Waren de sloten vroeger wel een meter diep, nu is dat minder dan 25 cm. Er zijn initiatieven om weer actief te gaan baggeren maar de kosten zijn voor de Overheid enorm. Het effect is ook niet alleen maar positief. Hoe meer bagger wordt verwijderd des te meer zakken ook weer de eilanden verder. Het brengen van de bagger op de eilanden zal echter een enorme bodemverrijking geven waardoor de al woekerende pitrus nog meer aanslaat. De enige echte goede oplossing lijkt te zijn dat alleen de hoofdsloten worden gebaggerd en dat de zijsloten ondiep blijven.

1000 Jaar historie

Anno 1300, op de eerste kaart van het Hoogheemraadschap het Hollands’s Noorderkwartier is de huidige samenhang van ’t Zwet , de Merken en vele eilanden al zichtbaar. Het gaat nog om weinig eilanden omdat nog niet aan veenwinning werd gedacht. Van rond 1000 is bekend dat kleine boerenbedrijfjes op de eilanden waren gevestigd. De grond zakte onder hun voeten zo groeven ze sloten om de eilanden op te hogen. De eilanden werden waarschijnlijk tot in de 15e eeuw zo schaars gebruikt. De toenmalige bevolking van Jisp en Wormer richtte zich vooral nog op de haringvangst. In 1639 vertrok de eerste walvisvaarder uit Jisp zo vertellen de analen. Rond 1650 telde de vloot van Jisp wel 75 schepen van groot tot klein. Wormer was geen scheepvarend dorp. De bewoners legde zich geheel toe op het foerageren van de schepen. In hoogtijdagen telde Wormer 1250 beschuitbakkerijen. Ze maakten scheepsbeschuit voor de schepen van Jisp en Amsterdam. Bekend is dat het eiland heel vroeger wel het “Traan eiland” heeft geheten. In en rond Jisp werd traan gekookt uit het walvisvet, dus blijkbaar ook op dit eiland. De walvisbotten werden gebruikt als oeverbescherming, de rudimenten daarvan lijken nog aanwezig. In de 18e eeuw werd grootschalig veen geharkt. Het zoute laagveen brandde wel veel sneller dan het veen uit Drenthe maar het kwam voor de grote stad Amsterdam wel van dichtbij wat transportkosten scheelde. Om de verveening door te zetten moest het waterpeil naar beneden. In de 18e eeuw werd het Wormerveld daarom omdijkt en zo ontstonden ook de sluisjes naar het grote water zoals de Zaan. Toen het veen opraakte werden de eilanden weer door de boerenbedrijven in gebruik genomen. Die gingen er niet meer wonen, de eilanden werden voor de melkkoeien gebruikt eigenlijk tot vandaag aan toe. Toen halverwege de 20e eeuw loopstallen en mechanisch melken in gebruik kwamen werden de eilanden voor de veeteelt minder economisch. Een aantal eilanden kwamen in particulieren handen. Dan werd er voor de recreatie bomen op gepland of werd gazongras aangelegd. Langs ’t Zwet zijn daar veel voorbeelden van te zien. Ook ons eiland aan de Koksloot kreeg bomen aangepland in drie rijen, de bomen worden geschat op 35 jaar oud. Recent werd vernomen dat het eiland bekend stond onder de namen “bomeneiland” en “konijneneiland”, de tweede naam doet veel vermoeden.Natuurmonumenten koopt al sinds de jaren 70 eilanden aan om het open landschap door georganiseerde begrazing in stand te houden. Het behoud van de Grutto als weidevogel is daar de afgelopen 10 jaar in het beleid bijgekomen. In hoge bomen zitten roofvogels ook vooral raven waar grutto’s van afschrikken. Dat is slecht voor de aantallen en het resultaat van het broeden. Daarom koopt natuurmonumenten zoveel mogelijk eilanden op. Ons eiland is nog steeds in particuliere handen. De vorige eigenaar heeft 10 jaar geleden afspraken met Natuurmonumenten gemaakt. De helft van de bomen mochten verwijderd worden als het jaarlijks maaiwerk werd verzorgd. In 2002 werd het eiland te koop aangeboden precies in de periode dat het eerste kabinet Balkenende veel subsidies voor de grote grondbezitters had stil gelegd. Langs het korfbalveld ontstond het idee om er een openbaar educatief natuureiland van te maken. Het eiland werd door Fred Sanders uit Wormer aangekocht en Peter van der Linden maakte een natuurontwikkelingsplan. Donateurs, subsidiegevers en vrijwilligers zullen nodig zijn om het uitgestippelde doel te bereiken. Maar de eerste stappen zijn gezet. Zo is er een Stichting opgericht ter ondersteuning van al die activiteiten. Kijk je naar de vorm dan zijn er overeenkomsten in de plattegrond met het waddeneiland Terschelling. Op de westkant staan bomen en de oostkant is kaal. Ook ligt de aanlegplaats voor de boot op een herkenbare plek. Om het eiland recreatief opvallender onder de mensen te brengen is er daarom nu een populaire naam aan het eiland gegeven, het eiland heet nu Klein-Terschelling. Eigenlijk is de historie van dit eiland nog in al de fasen te zien. Zelfs de oeverbescherming van walvisbotten is nog rudimentair aanwezig, alleen zijn het nu boomstammen die de oever rondom beschermen.